2010.07.31

Malle getallen: Optellen en aftrekken tot 20

malle getallen - optellen en aftrekken tot 20Met het spel Malle getallen - Optellen en aftrekken tot 20 van uitgeverij Plantyn kunnen leerlingen uit het eerste en tweede leerjaar aan de slag. Het bestaat uit 76 kaarten met daarop telkens een optel- of aftreksom. Net zoals bij Malle getallen - Vermenigvuldigen is het de bedoeling dat de leerling de som uit het hoofd oplost. Hij kan zijn antwoord onmiddellijk controleren door de kaart in de verbetermal te schuiven. De juiste oplossing komt dan onmiddellijk te voorschijn (zie voorbeeld hierna).

werken met de verbetermalDankzij deze verbetermal kan het kind zelfstandig aan de slag.

Het is natuurlijk veel leuker als je niet alleen moet spelen. Daarom hebben de makers van het spel er een kwartetspel van gemaakt. En de regels een klein beetje aangepast: je mag een kaart pas houden als je de som juist hebt opgelost. In totaal zijn er 19 kwartetten. De volledige spelregels lees je op de bij het spel geleverde kaartjes.

Aangezien de makers er zich bewust van zijn dat je in het eerste leerjaar nog niet meteen alle sommen kent, hebben ze de kaartjes ingedeeld in 3 niveaus. Van gemakkelijk naar moeilijk:

* boek - draak - muis - kikker - wolk - heksenhoed - maan 28 oefeningen
** laars - planeet - paddenstoel - proefbuis 16 oefeningen
*** spin - ketel - toverstok - ster - uil - inktpot - gifflacon - vleermuis 32 oefeningen

Als ouder moet je wel weten dat dit geen erg logische indeling is. Zeker niet als je dit spel in de loop van het eerste leerjaar met jouw kind wil gaan spelen. Dit blijkt uit de indeling in vier niveaus die ik aan de kaarten gaf:

* boek - draak - muis - kikker - wolk - heksenhoed + & - tot 5
** maan - laars - planeet - paddenstoel - proefbuis + & - tot 10
*** spin - ketel - toverstok - ster - uil + & - tot 20 zonder brug over het tiental 
**** inktpot - gifflacon - vleermuis + & - tot 20 met brug over het tiental

Bij deze nieuwe indeling valt het meteen op dat de vier niveaus niet evenredig aanwezig zijn. Door één kwartet uit het niveau met 1 ster weg te laten en twee kwartetten toe te voegen aan het niveau met de 4 sterren, zou dit kunnen opgelost worden. Maar dat is werk voor de uitgever.

Het spel is bedoeld voor "kinderen" vanaf 6 jaar. Het wordt uitgegeven door Plantyn en kost € 12,50. Je vindt het in de betere boekhandel maar kunt het ook bestellen via de website www.thuisbasis.be.

21:58 Gepost door Lieven Coppens in Oefenmateriaal | Permalink | Tags: basisonderwijs, optellen, aftrekken, basisbewerkingen, lager onderwijs, eerste leerjaar, tweede leerjaar, rekenen, automatiseren | |

2010.06.20

Het woordenspel

het woordenspelHet woordenspel van uitgeverij Van In bestaat uit 30 woordkaarten en 30 afbeeldingskaarten die duo' vormen: bij elk woord hoort een kaart met de afbeelding ervan. Dit laat drie spelvormen toe:

  • de afbeelding zoeken bij het getoonde woord
  • het woord zoeken bij de getoonde afbeelding
  • memoryspel

De spelregels voor elke variant vind je op een afzonderlijke kaart. Daar lees je ook dat je het spel kunt vereenvoudigen door het aantal kaarten te verminderen. Of moeilijker maken door het aantal kaarten te vermeerderen. Dat kan, maar ik raad aan omdat op een andere manier te doen. Waarom, dat lees je hieronder.

Toen ik de woorden uit het spel een voor een las, had ik meteen het gevoel dat dit spel toch een aantal woorden bevat die voor een leerling uit het eerste leerjaar eerder moeilijk zijn. Zeker voor de zwakkere lezers die het nodig hebben om tijdens de zomervakantie te blijven oefenen. Dit bracht mij er toe om deze woorden op te zoeken in een lijst die de woorden bevat die een kind in de basisschool spontaan het meeste gebruikt (De Woordentrommel, eveneens uitgegeven door Van In). Het voordeel van deze lijst is dat deze woorden meteen ook gekoppeld worden aan het leerjaar waarin ze het meest gebruikt worden. Dit waren mijn bevindingen:

  • 2 woorden komen voor in de lijst van het 1e leerjaar
  • 14 woorden komen voor in de lijst van het 2e leerjaar
  • 5 woorden komen voor in de lijst van het 3e leerjaar
  • 1 woord komt voor in de lijst van het 6e leerjaar
  • 8 woorden komen niet voor in de lijst

Daarnaast controleerde ik de woorden uit het spel ook aan de hand van de leerplannen taal voor het basisonderwijs. Op basis van de beide vergelijkingen kom ik tot het volgende voorstel:

  • voor een gemakkelijke versie: haal de woorden ijsbeer, kampioen, parasol, pollepel, sjaal, surfer, verrekijker, vogelkooi, vuurwerk en zwemband uit het spel. In totaal speel je dan met 21 woorden. 
  • voor een moeilijke versie: speel met alle woorden, behalve met kampioen. Dit woord komt immers maar voor op de woordfrequentielijst van het 6e leerjaar en is daarenboven zeer abstract.
  • voor een zeer moelijke versie speel je met alle woorden.

Persoonlijk zou ik dit spel eerder aanbevelen voor leerlingen uit het tweede leerjaar.

Het spel wordt uitgegeven door uitgeverij Van In en kost € 9,-. Het is verkrijgbaar bij de betere boekhandel en via de webwinkel van de uitgeverij.

18:08 Gepost door Lieven Coppens in Oefenmateriaal | Permalink | Tags: taal, lezen, tweede leerjaar, basisonderwijs, lager onderwijs, eerste leerjaar | |

2010.05.16

Rekenschijven voor het inoefenen van de basisbewerkingen

rekenschijf optellenHet eerste wat ik op deze website wil voorstellen, zijn de rekenschijven van uitgeverij Van In. Hiermee kunnen kinderen uit het eerste en tweede leerjaar aan de slag om de basisbewerkingen te oefenen en te automatiseren.

Elke rekenschijf wordt geleverd met een oefenboekje. Dit oefenboekje bevat een (naar vorm en moeilijkheidsgraad) gevarieerd aanbod van oefeningen. Het is de bedoeling dat de kinderen deze oefeningen maken aan de hand van de desbetreffende rekenschijf. In totaal bestaan er vier rekenschijven:

  • optellen (1e leerjaar)
  • aftrekken (1e leerjaar)
  • vermenigvuldigen (2e leerjaar)
  • delen (2e leerjaar)

Op de onderstaande afbeelding kun je goed zien hoe zo'n rekenschijf werkt.

rekenschijf delen

 

 

 

 

 

 

 

 

Stel dat je wil oefenen met de rekenschijf voor optellen

  • Stap 1: Kies het getal dat je bij een ander getal wilt optellen: deze getallen herken je duidelijk op de gekleurde tabbladen (van 1 tot en met 12).
  • Stap 2: Door het gekleurde tabblad te verschuiven kun je het getal waarbij je wilt optellen veranderen. Dat getal verschijnt in de linkse ronde opening.
  • Stap 3: Reken de oefening uit en onthoud de uitkomst.
  • Stap 4: Controleer jezelf door het flapje met het vraagteken op te heffen.

Misschien laat je je als ouder afschrikken door het feit dat je bij alle oefenschijven niet oefent met de getallen van 1 tot en met 10 maar wel met de getallen van 1 tot en met 12. Persoonlijk vind ik dit geen nadeel:

  • Bij de schijven voor optellen en aftrekken, oefen je ook op de brug over het tiental.
  • Bij de schijven voor het vermenigvuldigen en delen automatiseer je ook enkele sommen die men later bij het handig rekenen kan gebruiken.

De rekenschijven zijn ook uitermate geschikt voor het hoekenwerk op school of als compenserend middel voor kinderen met automatiseringsproblemen. Ze worden uitgegeven door uitgeverij Van In en kosten € 7,95 per schijf met oefenboekje. Ze zijn verkrijgbaar in de betere boekhandel en via de webwinkel van de uitgeverij.

2009.09.06

Moet mijn kind avi-niveau 3 halen aan het einde van het eerste leerjaar?

avi-niveau 1994

Het antwoord op deze vraag is eenvoudig: zeer zeker niet. Deze opvatting is helemaal achterhaald en dateert nog uit de vorige eeuw. De AVI-kaarten werden ontwikkeld in 1974 met als doel het leesniveau van de kinderen en de moeilijkheidsgraad van de teksten op elkaar af te stemmen. Het behalen van een AVI-niveau is dus nooit een doel op zich geweest,  enkel een middel. Helaas zijn de AVI-niveaus door de jaren heen een eigen leven gaan leiden, los van deze oorspronkelijke bedoeling. Zo stelde men bij de AVI-kaarten van 1974 dat de leerlingen in principe:

  • aan het einde van het 1e leerjaar AVI-niveau 3 moesten halen;
  • aan het einde van het 2e leerjaar AVI-niveau 6 moesten halen;
  • aan het einde van het 3e leerjaar AVI-niveau 9 moesten halen.

In 1994 werden de AVI-kaarten vernieuwd en meer aangepast aan de intussen veranderde leefwereld van de kinderen. De bedoeling bleef echter ongewijzigd: het leesniveau van de kinderen en de moeilijkheidsgraad van de teksten op elkaar af stemmen. Helaas bleef het behalen van een hoger avi-niveau te veel een doel op zich. Het bovenstaande schema werd lichtjes bijgesteld. Men stelde nu dat de leerlingen in principe:

  • aan het einde van het 1e leerjaar AVI-niveau 2 moesten halen;
  • aan het einde van het 2e leerjaar AVI-niveau 5 moesten halen;
  • aan het einde van het 3e leerjaar AVI-niveau 7 moesten halen;
  • aan het einde van het 4e leerjaar AVI-niveau 9 moesten halen.

Dit was en is een onjuiste interpretatie van de normen die in de handleiding staan: deze gaven enkel aan dat 50% van de leerlingen in maart van het schooljaar een AVI-niveau van(2 of meer, 5 of meer, 7 of meer of 9 of meer haalden, al naargelang het leerjaar.

Een en ander leidde tot wat ik "de terreur van de AVI-niveaus" durf te noemen. Kinderen zitten angstig te wachten aan de deur van het lokaal waar "het" gaat gebeuren: het bepalen van hun AVI-niveau. Het eerste wat ze vragen als hun leesbeurt gedaan is, is welk AVI-niveau ze hebben. Groot is de vreugde als ze "gestegen" zijn, nog groter is de ontgoocheling als ze "gelijk gebleven zijn". In die gevallen dat ze gedaald zijn, dan... Nog erger: met het nieuwe cijfer op zak gaan ouders naar de bibliotheek om boekjes te kiezen voor hun kind, waarbij niet de interesse van het kind vooropstaat, wel het aantal beschikbare boekjes van het nieuwe leesniveau.

Wat ouders zeker moeten weten - en wat ze dus zeker aan de leerkracht moeten vragen - is dat er verschillende manier kunnen zijn waarom hun kind niet is mogen "stijgen". Voor elke AVI-kaart is er vooraf bepaald binnen welke tijd ze moet gelezen worden en hoeveel fouten een kind maximaal mag maken. Hebben ze één van deze normen of allebei overschreden, dan wordt het leesniveau voor die kaart als onvoldoende beoordeeld. Toch is er veel verschil in de interpretatie:

  • een kind "haalt" het niveau niet binnen de gestelde tijd, maar leest weinig of geen fouten: dit kind kan technisch gezien wel nauwkeurig lezen, maar doet er te lang over;
  • een kind "haalt" het niveau binnen de gestelde tijd, maar leest te veel foiuten: dit kind is technisch gezien veel minder sterk en nauwkeurig dan het vorige;
  • een kind "haalt" het niveau niet binnen de gestelde tijd en het maximaal aantal toegestane fouten: dit kind is er het slechtste aan toe van de 3.

Om deze interpretatie zelf te kunnen maken, heb ik een klein instrumentje, genuanceerd testen met de AVI-kaarten ontworpen. Dat kun je hier vinden.

Zeg ik hiermee dat een kind geen leesniveau moet hebben bij de overgang naar het tweede leerjaar? Allerminst. Het is aangewezen dat een kind aan het begin van het tweede leerjaar een AVI-niveau 1 of beter haalt. Het is belangrijker dat een kind dat moeite heeft met het leren lezen in het eerste leerjaar zeer gerichte leesinstructie krijgt. Onderzoek heeft immers aangetoond dat "leeskilometers" afleggen (zoveel mogelijk lezen) alleen, niet het gewenste effect heeft. En AVI-niveau 9? Dat moet een kind maar behalen aan het einde van het zesde leerjaar.

Intussen is men in Nederland volop bezig met een nieuwe versie van de AVI-kaarten. Voorlopig lijkt men deze in  Vlaanderen nog niet te gaan gebruiken. Ik kom hier later nog op terug.

12:52 Gepost door Lieven Coppens in Algemeen | Permalink | Tags: lezen, avi-niveaus, technisch lezen, eerste leerjaar, lager onderwijs | |

2009.08.02

Alles wat je altijd al wou weten over schoolrijpheid...

juf mag ik overvaren - schoolrijpheid - als het kleuteren voorbij isLaat ik maar meteen met de deur in huis vallen. Als er ooit een begrijpelijk standaardwerk is geschreven over schoolrijpheid, dan is het wel dit boek van Marc Litière. Het laat zowel een snelle eerste lezing (volg de tekstkadertjes doorheen het boek) als een meer diepgaande verkenning van het onderwerp (lees het volledige boek) toe. Als extraatje vormt elk hoofdstuk min of meer een afgesloten geheel. Dit verhoogt niet alleen de leesbaarheid, maar zorgt er ook voor dat het een ideaal instrument is om te gebruiken in lees- en discussiegroepen van ouders. Want dit is volgens mij een noodzaak: als schoolrijpheid voor de kleuter een groei- en ontwikkelingsproces is doorheen de ganse kleuterschool (of in Nederland: groepen 1 en 2), dan is dat eveneens een groei- en ontwikkelingsproces waar jonge ouders ook doorheen moeten. Een groei- en ontwikkelingsproces houdt ook in dat de groei en ontwikkeling van de kleuters al vrij vroeg (lees: vanaf de peuterklas) gevolgd wordt. Nog anders gezegd: het uiterste moment om op school een informatieavond over schoolrijpheid te geven is september van de derde kleuterklas. Een ouderavond in het tweede of derde trimester is volledig zinloos. Want schoolrijpheid is niet alleen de zaak van de school, maar ook die van ouders. Maar dat is een andere discussie.

Juf, mag ik overvaren is één van die boeken waarbij je de inleiding bij het lezen niet mag overslaan. In deze inleiding adem je gewoon de visie van de auteur in: schoolrijpheid bespreken vanuit het standpunt van het kind. Hierbij staan de vragen die aan de kleuters gesteld werden centraal. Je moet de antwoorden gewoon gelezen hebben om het boek maximaal te kunnen begrijpen.

In het eerste hoofdstuk toont de auteur aan dat de overgang naar het eerste leerjaar een belangrijke, maar ook (zeer) grote stap is. Samen met de auteur kun je jezelf terecht afvragen wat nu het belangrijkste is: moet de kleuterschool tegemoet komen aan de eisen van het eerste leerjaar of moet het eerste leerjaar de kleuterschool een eind tegemoet komen? Het is ook de taak van het eerste leerjaar om kinderen verder naar die schoolrijpheid te laten groeien en ontwikkelen. Elk kind volgt zijn persoonlijke tempo en bereikt niet noodzakelijk op 1 september van het eerste leerjaar (groep 3) op elk ontwikkelingsdomein het noodzakelijke 'startniveau' - als dat al bestaat. Het eerste leerjaar (groep 3) moet meer zijn dan leren alleen: het moet ook verder ruimte bieden voor creativiteit, emotionele groei, bewegingsopvoeding, ...

In het tweede hoofdstuk gaat Marc Litière op zoek naar de schoolrijpheid. Hij komt hierin onder andere tot het besluit dat schoolrijpheid een proces is dat langzaam en vanzelf komt, maar dat wel gestimuleerd moet worden vanuit de volledige omgeving van het kind, dus niet alleen vanuit de school. Het is immers in de wisselwerking tussen het kind, de school, de ouders en de maatschappij dat de schoolrijpheid geboren wordt. Nog anders gezegd, het is een wisselwerking tussen actieve en passieve factoren. Die wisselwerking houdt niet alleen in dat het kind moet rijp zijn voor de school, maar de school ook rijp voor het kind.

Wanneer is een kleuter schoolrijp? Deze vraag krijgt een antwoord in het derde hoofdstuk. Zowel de algemene als specifieke voorwaarden komen hier uitgebreid en concreet aan bod. Dit hoofdstuk is eigenlijk de ruggengraat van het boek. Niet te missen dus. Dit hoofdstuk wordt op een (h)eerlijke manier aangevuld met de beeldvergelijkingen over schoolrijpheid uit het vierde hoofdstuk. Schoolrijpheid is het fundament van het huis, de kers op de taart, een puzzel met veel stukjes, ...

Het vijfde hoofdstuk gaat meer dan terecht in op de relativiteit van de schoolrijpheidstest. Aangezien schoolrijpheid een proces van individuele groei en ontwikkeling is, kan en mag men er niet vanuit gaan dat elk kind op het moment dat een toets afgenomen wordt er klaar voor is. Trouwens: die toets meet maar bepaalde aspecten van de schoolrijpheid en gaat aan veel andere domeinen voorbij. Je moet ook het kind zelf en zijn ouders bevragen, je moet de observaties van ouders en leerkrachten bij de 'evaluatie' betrekken. Niet voor niets komt de auteur tot de conclusie dat er meer na- dan voordelen verbonden zijn aan de huidige schoolrijpheidstesten. Om het met de auteur te zeggen:

De ideale schoolrijpheidstest: had ik maar een glazen bol! (blz.99).

Het zesde hoofdstuk staat helemaal in het teken van de maatregelen die de ouders, de leerkracht en de school kunnen nemen om de overgang naar het eerste leerjaar (groep 3) vlot te laten verlopen. Voor de ouders geeft Marc Litière een heleboel concrete tips in verband met het helpen met:

  • taalbeheersing
  • ruimtelijk inzicht
  • tijdsbesef
  • zelfredzaamheid
  • fijne motoriek
  • grove motoriek en coördinatie
  • schrijfmotoriek
  • voorbereidend rekenen
  • symboolbewustzijn
  • auditieve vaardigheden
  • visuele vaardigheden
  • werkhouding
  • sociale en emotionele ontwikkeling
  • lichaamsschema

Hierbij aansluitend voorziet hij in een veertigtal oefenblaadjes, waarbij we hem graag nog even aan het woord laten:

We willen hier echter nog eens benadrukken dat het maken van deze oefenblaadjes niet voldoende is om een kind voor te bereiden op schoolrijpheid (blz.139).

Hierna gaat hij nog even dieper in op de veranderingen die volgens hem op het niveau van de leerkrachten en de school nodig zijn om de overgang vlotter te laten verlopen. Tot slot zijn zeker de 'dertien dingen die je als ouder beter niet kunt doen' (ook door (kleuter)leerkrachten) niet te missen.

Het zevende hoofdstuk behandelt de alarmsignalen in verband met het niet schoolrijp zijn en reikt een mogelijke aanpak aan van specifieke problemen. Het achtste hoofdstuk zet enkele misvattingen recht.

Verplichte literatuur voor ouders, leerkrachten, directies en leerlingenbegeleiders!


Auteur: Marc Litière
Titel: Juf mag ik overvaren. Schoolrijpheid. Als het kleuteren voorbij is.
Uitgever: Lannoo
Uitgaveplaats: Tielt
Uitgavejaar: 2008
Pagina's: 228
ISBN-13:
978-90-209-7814-8
Prijs: € 19,95


lannoo

 

afdrukken